|
Achtergrondinformatie
Bonenspintmijt (Tetranychus
urticae)
Waarnemen
De bonenspintmijt is ongeveer een halve millimeter groot. De kleur van de volwassen mijten kan variëren van oranje, lichtgeel tot donkergroen, rood of bruin met aan weerskanten van het lichaam een donkere vlek. De mijten produceren webdraden aan de onderkant van de bladeren. Dit spinsel wordt bij een ernstige aantasting duidelijk zichtbaar. De eieren zijn ruim één tiende mm in doorsnede. De eieren zijn doorzichtig, later witachtig tot bruingeel van kleur en liggen verspreid aan de onderzijde van de bladeren. De larven zijn eerst kleurloos en afhankelijk van het voedsel dat ze opnemen kleuren ze later lichtgroen, bruingeel of donkergroen.
| Levenscyclus |
| |
 |
De ontwikkelingsduur is afhankelijk van de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid, de gewassoort en de leeftijd van het blad. De temperatuur heeft echter de meeste invloed op de levenscyclus. U moet er rekening mee houden dat de ontwikkeling bij warm weer zeer snel gaat. Onder de
12°C staat de ontwikkeling stil, bij 20°C duurt de cyclus ongeveer 17 dagen en bij
30°C nog slechts 7 dagen.
De bonenspintmijt overwintert als bevrucht, volwassen vrouwtje. Deze zijn dan oranje gekleurd. Ze overwinteren in schorsspleten, op beschutte plaatsen in de buurt van eventueel afgestorven planten, in spleten in de grond of in kasconstructies. Het moment van in rust gaan voor overwintering is afhankelijk van de volgende factoren:
- Kortere dagen (vanaf eind augustus)
- Dalende temperatuur
- Afname of verslechtering van voedsel
De temperatuur bepaalt wanneer de bonenspintmijten na de winterperiode weer actief worden. Buiten is dat over het algemeen begin juni. Dan gaan de vrouwtjes eieren leggen. In de kas kan al eerder spint worden waargenomen.
Van de bonenspintmijt komen vier tot zes generaties per jaar voor. Deze generaties overlappen elkaar.
Waardplanten en schade
De bonenspintmijt heeft zeer veel waardplanten. Enkele voorbeelden zijn: Aralia,
Callicarpa, Cornus, Daphne, Hydrangea, Laburnum,
Potentilla, Skimmia, Sorbus, Rosa en Ulmus.
De bonenspintmijt zuigt aan de onderkant van het blad. Hierdoor ontstaan aan de bovenzijde van het blad kleine lichte stipjes. Deze plekken breiden zich uit over het hele blad. Aan de onderzijde van het blad ontstaat een glanzend spinsel en het blad wordt grijswit. Uiteindelijk zal het blad van de plant vallen.
|