Actuele waarschuwingen

Weer en gewasbescherming

Achtergrondinformatie

Vraagbaak

Links

Contact

Projectinformatie

 

Achtergrondinformatie

Echte meeldauw (Sphaerotheca pannosa) in Rosa en Echte meeldauw (Erysipheae) in vaste planten

Preventie waarnemen niet chemische bestrijding chemische bestrijding

Waarnemen

Echte meeldauw in roos wordt veroorzaakt door de schimmel Sphaerotheca pannosa.
Meeldauw is te herkennen aan witte poederachtige vlekken op de bladeren. Een kenmerk is dat de vlekjes er met de hand zijn af te wrijven. De parasiet ontrekt voedingstoffen en water uit de plant. Bladeren, scheuten of bloemen worden geremd in hun groei en raken vaak misvormd. Bij ernstige aantasting kunnen bladeren vroegtijdig afvallen. De schimmel overwintert als schimmeldraad tussen de schubben van de knoppen van de roos. S. pannosa vormt in ons klimaat geen rustsporen in tegenstelling tot andere meeldauwsoorten op andere gewassen, zoals Microsphaera alphitoides, de veroorzaker van echte meeldauw in eik.

Elk meeldauwplekje kan onder gunstige weersomstandigheden zeer veel nieuwe sporen vormen. De temperatuur en de relatieve luchtvochtigheid zijn belangrijk. Een remmend effect op de ontwikkeling van echte meeldauw geeft (vrij) water. In tegenstelling tot de meeste andere schimmels, kan echte meeldauw slecht tegen regenwater. 
Met de kennis omtrent de invloed van weersomstandigheden op de groei en verspreiding van echte meeldauw is een waarschuwingssysteem ontwikkeld. Het systeem waarschuwt wanneer een bespuiting nodig is en met welk middel. Dit waarschuwingsysteem wordt gebruikt binnen het project 'Waarneming en waarschuwingsysteem Boomteelt.'

Gevoelige gewassen en schadedrempel
Het rozensortiment kent een grote variatie in vatbaarheid voor echte meeldauw. Enkele soorten raken niet of nauwelijks aangetast, terwijl andere soorten al snel wit zien wanneer de schimmel niet bestreden wordt. 
Net uitkomende bladeren hebben een lage schadedrempel. Dat betekent dat ze erg gevoelig zijn voor echte meeldauw. Rozenbladeren kennen een zogenaamde ouderdomresistentie: de schadedrempel neemt in een periode van ongeveer twee weken sterk af. Uitgegroeide, stevige en afgeharde bladeren raken niet meer aangetast door echte meeldauw. 

 

 

Over het waarschuwingsmodel:

Model voor de ontwikkeling van rozemeeldauw in het veld

De ontwikkeling van de rozenmeeldauw aan het begin van het groeiseizoen is langzaam, terwijl er dan voldoende vatbaar jong weefsel aanwezig is. Dit doet vermoeden dat er een klimaatsfactor is die de vermenigvuldiging van de meeldauw vertraagd. 
Zoals eerder is beschreven lijkt vooral de lage temperatuur hiervoor verantwoordelijk. 
Wheeler (1973) stelde een model op voor de ontwikkeling van de rozenmeeldauw in het veld, waarin meteorologische gegevens van temperatuur en relatieve vochtigheid waren opgenomen. 
Uit de gegevens van de invloed van de temperatuur op de meeldauwontwikkeling, gemeten door Price (1970) werd met behulp van regressietechniek een kwantitatieve relatie gelegd tussen de temperatuur en de meeldauwontwikkeling. Gegevens van Longrée (1939) over de ontwikkeling van rozenmeeldauw als functie van de relatieve vochtigheid werden met dezelfde techniek omgezet in een kwantitatieve relatie. De door dit model berekende ontwikkelingssnelheid van rozenmeeldauw werd gebruikt in een spuitproef om de meeldauwgroei te voorspellen. Volgens Wheeler (1973, 1975) had dit gedeeltelijk succes. Onderstaand figuur laat de uitkomsten van dit model zien.

De figuur hieronder geeft de voorspelde meeldauwontwikkeling aan volgens het model van Wheeler. Weergegeven is de meeldauwgroei voor twee perioden in 1972. Elke stap geeft de geschiktheid aan van die dag voor meeldauwgroei zoals die berekend is volgens temperatuur- en relatieve vochtigheidgegevens. Een cumulatieve waarde van 1 geeft aan dat een sporulerende kolonie is ontwikkeld. Dus volgens het model zou een spore geland op 2 mei op een vatbaar blad een sporulerende meeldauwkolonie geven op 16 mei. Tevens is te zien dat de voorspelde meeldauwontwikkeling in juli veel sneller ging dan in mei.



Deze modelmatige benadering van meeldauwgroei is overgenomen in dit onderzoek.
Uitgaande van een nieuwe interpretatie van de literatuurgegevens van Price (1970) is door regressie techniek en curve fitting een eigen polynoom gemaakt. Vanaf het eerste proefjaar 1991 tot en met 1994 zijn verschillende modellen getoetst. 
Het definitieve model staat hieronder.

 

 

Model echte meeldauw
temperatuur °C ontwikkelingssnelheid (y1)
(gemiddelde uurwaarde) 
1 < 6           0.001731
6 < 11 0.003358
11 < 16 0.005342
16 < 19   0.007183
19 < 22 0.009519
22 < 27   0.011067
27 < 30  0.008389
30 < 33 0.004054
33 < 40   0.001250

 
relatieve
 luchtvochtigheid % 
relatief effect op ontwikkelings
snelheid (y2)
0 < 20  0.10
20 < 50  0.39
50 < 60  0.54
60 < 70  0.62
70 < 80  0.74
90 < 100  1.00
y=y1*y2 als bladnatpercentage < 10% anders: y=0

LET OP
In bovenstaande uitleg worden de rekenregels gegeven zoals die worden gebruikt in het echte meeldauwmodel van PPO Bomen.
Gegevens kunnen worden overgenomen en gebruikt, op voorwaarde dat bij elke presentatie, schriftelijk of mondeling, PPO Bomen wordt genoemd als ontwikkelaar van het model. 
Bij vragen kunt u contact opnemen met bovengenoemd persoon.

Praktijkonderzoek Plant & Omgeving B.V. draagt geen verantwoordelijkheid bij eventuele schade veroorzaakt door gebruik van onderstaande gegevens. Verder zijn onze Algemene Voorwaarden van toepassing. Op verzoek worden deze u toegezonden.
PPO Bomen 
Fons van Kuik (0317-478906)

Naar boven