






|
|
Achtergrondinformatie
Gewone dopluis (Parthenolecanium corni)
Waarnemen
De gewone dopluis is ongeveer een halve cm lang, min of meer ovaal, ruw, bruin en vaak glimmend. De mannetjes zijn ongeveer 2,5 mm en hebben een grijs ovale dop. De mannetjes zijn gevleugeld en verliezen hun dop om vrouwtjes te bevruchten De volwassen exemplaren van de gewone dopluis komen voor van half april tot eind juni. Er zijn niet ieder jaar mannetjes aanwezig. De vrouwtjes kunnen zich ook ongeslachtelijk voortplanten.
| Levenscyclus |
|
 |
 |
Op hazelaar komt ook hazeldopluis (Eulecanium coryli Linnaeus) voor, die moeilijk te
onderscheiden is van P.corni.
De eieren worden in mei - juni onder het schildje afgezet, waarna het vrouwtje sterft en alleen de dop overblijft. Onder deze dop kunnen wel 3000 eieren liggen. Deze eieren komen ongeveer tegen half juni uit.
De larven zijn ovaal en plat met een bleek-grijze tot oranjebruine kleur. De jonge larven, 'crawlers' genaamd, gaan naar jonge twijgen en bladeren. Dopluizen verplaatsen zich moeilijk en worden dus dichtbij elkaar waargenomen. Larven in het tweede stadium zijn ook nog mobiel en verschijnen in augustus. In het najaar verhuizen de larven naar houtige gedeelte van de plant. Op deze houtige gedeelten kunnen ze overwinteren. De kleur verandert dan van gruis naar bruin. De gewone dopluis blijft ook in de winter mobiel. In het voorjaar zetten de gewone dopluis zich vast aan plantendelen. Dan wordt de dop ook sterker en ronder, zodat de eieren goed zijn beschermd.
Gevoelige gewassen en schade
De gewone dopluis kom zeer algemeen voor. Enkele waardplanten zijn Acer, Berberis, Buxus, Ceanothus, Camellia, Chaenomeles japonica, Coteneaster, Malus, Elaeagnus, Euonymus, Escallonia, Fraxinus, Hedera, Ilex, Lonicera, Magnolia, Prunus, Pyracantha, Ribes sanguineum, Rosa, Skimmia, Thuja, Tilia en Wisteria.
De gewone dopluizen leven van sappen die ze uit het blad opzuigen. De plantensappen zijn rijk aan suikers, maar arm aan eiwitten. Om toch genoeg eiwitten op te nemen zuigt een gewone dopluis veel sappen op. Het overschot aan suikers wordt afgescheiden als honingdauw. Dit is een kleverige zoete vloeistof. Honingdauw is voedsel voor wespen, mieren en bijen, maar ook een goede voedingsbodem voor roetdauwschimmels. Door de zwarte kleur van deze schimmels houden ze veel licht tegen. Dit zorgt voor groeiremming van de plant. Ook vermindert de zwarte laag de sierwaarde van de plant. Bij een ernstige aantasting kan de plant afsterven.
|