|
Achtergrondinformatie
Paardenkastanjemineermot (Cameraria ohridella)
De vlinders zijn ongeveer een halve cm groot en
hebben een opvallend kuifje. De voorvleugels zijn bedekt met glanzend
koperkleurige schubben en hebben drie zwart-witte dwarsbanden. Overdag
rusten de vlinders op de stam en takken van hun waardplant. In Nederland
komen twee volledige en een gedeeltelijke derde generatie voor. De eerste
generatie vlinders verschijnt van eind april tot eind mei. Sommige jaren
loopt dit parallel met de bloeitijd van de paardenkastanje. De exacte
vlucht kan goed worden bepaald door feromoonvallen op te hangen.
Het
vrouwtje legt haar eieren op de bovenkant van het blad naast een zijnerf.
Bij ernstige aantasting worden de eieren ook aan de onderkant van het blad
gelegd. Een vrouwtje kan tussen de 20 en 30 eieren leggen. De eieren zijn
zeer klein, ongeveer eenvijfde millimeter en komen na 2 tot 3 weken uit.
Dit hangt sterk af van de tijd van het jaar.
De larve zijn ongeveer 1,5 mm lang. Ze hebben opvallend diep ingesneden segmenten en zijn geelgroen van kleur. Als de eieren uitkomen eten de larven zich een weg het blad binnen. De larven maken een mijn. Dit begin als een kleine kommavormige mijn maar wordt steeds groter. Alle bladmoes tussen de beide bladopperhuiden wordt weggevreten. Uiteindelijk ontstaat er een blaasmijn met een oppervlakte van enkele vierkante centimeters (4 tot 8
cm2) . De paardenkanstanjemineermot heeft vier of vijf larvenstadia.
De poppen van C. ohridella zijn bruin en 2 tot 5 mm lang. De pop komt in de zomer na ongeveer 2 weken uit. De poppen bevinden zich in een mijn in het blad. Het bijzondere van de mineermot is dat een deel van de poppen in rust gaan. De mineermot overwintert in het afgevallen blad als pop. Deze poppen komen het volgende jaar weer uit.
Gevoelige gewassen en schade
De larven van de paardenkastanjemineermot eten het blad van de paardekastanje
Aesculus hippocastanum (L.), A. carnea (Hayne). Soms bij zeer grote aantasting van de paardenkastanje door de mot is ook lichte aantasting op
Acer pseudoplatanus en A. platanoides gevonden.
De volwassen vrouwtjes zetten de eieren af op de boom. De larven eten zich een weg naar binnen. De larven eten het bladmoes weg tussen de beide opperhuiden van het blad. Ernstig aangetaste bladeren vallen af. De knopaanleg wordt bemoeilijkt en het transport van reserve voedsel naar de wortels raakt geblokkeerd. De aangetaste boom verzwakt hierdoor en wordt vatbaarder voor andere ziekten en plagen.
De lange termijn effecten zijn nog niet bekend, maar vermoedelijk kan een boom na een aantal jaren van aantasting zo verzwakt raken dat hij sterft. Na één jaar aantasting sterft de boom niet.
|