|
Achtergrondinformatie
Thujamineermot (Argyresthia thuiella)
Waarnemen
De thujamineermot is ongeveer 4
mm groot en komt voor in Chamaecyparis lawsoniana en Thuja
occidentalis. De kop en het borststuk van deze mot zijn wit. De
vleugels zijn grijswit met zilveren markeringen. De motten vliegen vooral
's nachts van tussen half juni tot eind juli. Ze leggen eieren tussen de
naaldschubben. De eieren zijn groen van kleuren komen na twee tot drie
weken uit. De juiste periode van de vlucht kan worden waargenomen met
behulp van feromoonvallen.
| Levenscyclus |
|

|
 |
De volgroeide larven zijn ongeveer 5 mm lang en hebben een groene of bruine kleur met een rode tint. De rupsen vreten zich naar binnen via het loof. Ze hollen de twijg uit. Dit doen ze vanuit de top van de twijg naar oudere gedeeltes. Bij het breken van aangetaste delen vindt met men zwarte uitwerpselen en bruin boormeel. Uiteindelijk sterft de twijg af. Bij een voortdurende aantasting wordt de plant kaal en sterft. De aantasting komt vooral bij de jonge delen van de plant voor. De larven overwinteren in de twijgen van de waardplant in een spinsel.
Thujamineermot verpopt van half mei tot eind juni. De poppen zijn ruim 3 mm lang en groen bruin van kleur. Er is één generatie per jaar van de thujamineermot voor in Nederland. De thujamineermot komt oorspronkelijk uit Noord-Amerika, maar is rond 1970 ook een bekende in Europa.
|